Na drie maanden in Nederland te hebben gebivakkeerd is het eindelijk weer zover. De documentaire is min of meer af, de factuur is verstuurd, het huis is gepoetst. Bij (schoon)zus en zwager A+S werden we weer gastvrij ontvangen om Ollie op de oprit netjes in te pakken. Super dat onze buitensportuitrusting daar keurig ligt opgeslagen. Bedankt voor alles jongens!

Na een fijne tussenstop van twee dagen bij mijn ouders in Sleen (ook jullie erg bedankt!) tuften we met een sukkelgangetje van 90 over de Duitse Autobahn. Dankzij hoge temperaturen, windje mee en de slipstream van diverse vrachtwagens, reden we met een spectaculaire 1 op 15.5 richting het noorden. Duurt even, maar dan heb je ook wat. Voor de bus-nerds: wij hebben een Citroen Jumper 2.2 HDI motor van de euro-6 generatie met 140 pk en 370 nm koppel. Hij kan dus tandjeszuinig rijden, maar als je haast hebt, wordt het toch gewoon een beste zuipschuit.

Eén stop in Duitsland, twee in Denemarken, waarvan eentje bij het geinige stadje Faaborg en eentje op een camperplaats samen met onze vrienden uit Spanje Onno en Ineke, brachten ons in Zweden. Inmiddels zitten we een eindje onder Karlstad en met een beetje mazzel zitten we overmorgen in onze packrafts ergens op het water. We doen het rustig aan, met maximaal vier uur rijden per dag. Vooral de laatste weken heeft Anita echt nachten moeten doorhalen om de documentaire af te krijgen en we zijn niet helemaal topfit.
‘Hoe lang heb je nog?’ vroeg een Nederlandse camperaar in Denemarken op de camperplaats bij Faaborg. ‘Een week of twee, drie?’. Ik moest even nadenken en antwoordde hem: ’tot half oktober ongeveer, dus we hebben nog even’. Het voelt af en toe alsof de Zweedse zomer al voor de helft voorbij is – en feitelijk is dat ook zo -, maar vergeleken met mensen die ‘gewoon op vakantie’ zijn, is drie maanden uiteraard nog altijd bizar lang.

Geef een reactie op zwikkero Reactie annuleren