We dachten in 2016, tijdens onze vijf maanden durende reis door Noorwegen en Zweden, dat we inmiddels wel wisten hoe een echte ‘Indian summer’ er uit zag, maar na het zien van de diepgele berkenbossen in Jämtland weten we dat we toen net elke keer iets te vroeg verder zuidelijk afzakten. De bossen hier zijn werkelijk onvoorstelbaar mooi in deze tijd van het jaar, vooral als de zon schijnt.
We pakten onze rugzakken in voor een trektocht door Jämtlandsfjällen en met Sarek nog in ons achterhoofd, haalden we de stofkam door de uitrusting. We hielden het rond de vijftien kilo en dat leek ons een stuk beter dan de vorige keer. Geen telelens, geen statief, geen drone. Wel genoeg warme kleding, want het weerbericht nodigde niet echt uit voor een lange trektocht.

De eerste dag was fenomenaal; we liepen door een soort Bob Ross schilderij omhoog richting de Fjälls. Met alleen een ondershirt en dun windjack was het ook nog eens bijna zomers. ’s Nachts stak er een windje op en naarmate de nacht vorderde, begon het steeds harder te waaien. En te regenen. Midden in de nacht ging ik met de hoofdlamp toch nog even op zoek naar een paar extra stenen om de haringen voor de scheerlijnen te verankeren. Van slapen kwam weinig meer terecht.
De volgende dag was het weer eigenlijk niet veel beter. En het weerbericht – we hadden de hele tocht bereik – liet zien dat het eigenlijk alleen maar erger zou worden. Het ‘omdraaien’ woord viel al weer. We besloten toch door te gaan, al was het alleen maar om weer wat meters te maken met slecht weer. Dat vereist namelijk toch weer wat andere vaardigheden dan wanneer de zon schijnt.

Na een dag in de regen en wind te hebben gelopen, werd het tijd om een plek voor de nacht te vinden en bij voorkeur eentje waar we enigszins beschut zouden staan. Maar dat is best lastig boven de boomgrens. We vonden een soort geul waar we qua windrichting net wat beschutting vonden en we besloten daar de tent op te zetten. Van slapen kwam weer niet heel veel terecht, omdat de wind midden in de nacht opnieuw behoorlijk aantrok. De volgende dag zou het pas echt hard gaan waaien en regenen, zo vertelde het Zweedse KNMI. Windstoten van 75 km/u, gepaard met harde regenbuien. We zaten die dag het slechte weer uit en vreesden bij de allerzwaarste windstoten een heel klein beetje voor de tentstokken.

De tent hield het – precies daarom slapen we uitsluitend in tenten van de Zweedse tentenbouwer Hilleberg – en de volgende ochtend scheen zelfs de zon weer. We hadden er nog een dagje of twee aan kunnen vastknopen, maar we vonden het niet nodig om nóg een storm die inmiddels was voorspeld, uit te zitten. Het was weer mooi geweest. Nadat we in de zon een bakje thee hadden gedronken en alles hadden ingepakt, bleek een van de wandelstokken op mysterieuze wijze te zijn verdwenen. Die lagen naast de tent, in een ondiep greppeltje. Wegwaaien was onmogelijk. Waarschijnlijk was een nieuwsgierige vos – een Fjällräven dus – er mee vandoor gegaan. Nadat we het zoeken al hadden opgegeven, zagen we hem toch ineens weer liggen. De vos liep kennelijk liever toch zonder wandelstok.

We liepen het hele stuk in één hele lange dag terug. Voeten, schouders en ruggen tekenden protest aan, spanden onderling samen in diverse pogingen tot muiterij, maar zonder succes. Wel jaagden we er in één dag drie dagvoorraden repen en pinda’s doorheen. We waren blij toen we onze Ollie zagen staan. Tochten in de herfst zijn prachtig, maar feit is dat we echt rekening moeten houden met storm en regen. We hadden deze in ieder geval niet willen missen.


Geef een reactie op Liesbeth Maas Reactie annuleren